Een onbekende joodse held

Het verzwegen verhaal over hoe Moische Colcher in 1942 in een kampong op Sumatra werd doodgestoken

Op de tentoonstelling was natuurlijk veel aandacht voor de Japanse bezetting en de jappenkampen, maar er valt een ander, tot nu toe niet verteld verhaal te vertellen. Dat over een onbekende joodse held, Moische Colcher. Zijn drie dochters vertelden, naar aanleiding van de tentoonstelling, voor het eerst, ook aan elkaar, zijn verhaal.

 

opgetekend door Ariëla Legman en Max Arian
 

‘Het was in maart 1942. We woonden op Sumatra. Wij drie zusjes zaten op kostschool in de bergen, in Brastagi, ver van huis. Het was een heel strakke school, maar ik had een ontzettend lieve juf, juffrouw Mulder. Op een ochtend werd er aangeklopt en kwam de directrice, mevrouw Marsman, de klas binnen. Die smoezelde even met mijn juffie en zei toen dat ik mee moest komen. Ik schrok ervan, want je wilde daar nooit opvallen. Juffie Mulder zei nog met een glimlach dat het niks ernstigs was. Waarschijnlijk wist zij ook helemaal niet wat er aan de hand was.
De kostschooldirectrice vroeg op de gang waar m’n zusjes zaten. Die werden ook uit de klas gehaald. In een kleine ruimte, waar ook de piano’s stonden, trok zij ons naar zich toe en zei: “Ja, ik moet jullie iets heel vreselijks vertellen: Jullie vader is als een héld gestorven.” Ik denk: Als een held? Gestorven? Hoe doe je dat?’

Vellah Colcher vraagt zich dat nog altijd af, als ze haar verhaal vertelt. Zij is de middelste van de drie zusjes, zij is in 1931 geboren op Sumatra en inmiddels 84 jaar. Sima, de oudste, is van 1929, en is nog in Brussel geboren. Ariette, de jongste, is van 1932 en zegt met enige trots: ‘Ja wij zijn Sumatranen!’

 

Toean besar

Toen het gebeurde waren ze dertien, elf en tien jaar. Ze waren opgegroeid in een zekere luxe en vrijheid, zij het nogal geïsoleerd, op een grote Belgische rubberplantage op Noord-Sumatra. Hun vader werd in 1905 in Bessarabië (het huidige Moldavië) geboren, hij was jood, niet-godsdienstig, maar een overtuigd zionist en hij ging in België landbouwkunde studeren, om die kennis later in Palestina te kunnen gebruiken. In België ontmoette hij zijn Pools-joodse vrouw, Pauline Knorpel, die in Warschau was geboren. Ze deelden de linkse, zionistische idealen en waren lid van Poale Zion.
Een voorwaarde voor de studie was dat je enige jaren voor een Belgisch bedrijf zou werken, maar niet in België zelf. Dat werd daarom voor Moische Colcher de Société Financiėre des Caoutchoucs, waarvoor hij plantagehouder werd op de rubberondernemingen Negri Lama en Senna Estate op Noord-Sumatra. Hij was daar een man van gezag, een belangrijke werkgever voor honderden arbeiders en hun gezinnen.

‘Als er een filmvertoning was, wat weleens gebeurde, dan zat iedereen rustig te wachten tot de toean besar zijn opwachting maakte,’ herinnert Ariette zich.

‘Het was een charmante man met veel gevoel voor humor, maar hij kon ook heel kwaad worden, bijvoorbeeld als hij vond dat er op de onderneming niet goed gewerkt werd,’ vertelt Sima.

Vellah herinnert zich hoe hij op zijn grote werktafel een speciaal lucifersdoosje bewaarde met lange lucifers: ‘Die zou hij voor ons aansteken als de oorlog, die in het verre Europa woedde, afgelopen was.’ Tegen die tijd verwachtte hij genoeg geld opzij gezet te hebben om zijn zionistische plannen te verwezenlijken.

Wat er in die fatale dagen in maart 1942 precies was gebeurd, hoorden de meisjes pas veel later. Op hun onuitgesproken vragen kregen ze geen antwoord. Hun moeder zat doodsbleek in de huiskamer van het directeursechtpaar, boven in de school. Ze was gevlucht, met hulp van de boy, de hoofdbediende van hun huis, en een bevriend echtpaar, op een paar paarden en ze was zo overstuur dat ze geen woord kon uitbrengen. Vellah: ‘Zij was letterlijk met stomheid geslagen. Ze waren dwars door de bossen naar Brastagi gevlucht, naar ons, naar het internaat, naar haar drie dochters. Wij kregen te horen dat onze vader er niet meer was, maar daarna duurde het drie-en-een-half jaar voor we wat meer te weten kwamen.’

 

Bezetting

Sima: ‘De Japanners maakten meteen na de bezetting een kamp van ons internaat, wij konden daar dus gewoon blijven. Mét onze moeder, die vlak daarvoor aangekomen was. Een geluk bij een ongeluk. Er kwamen steeds meer mensen, 1500 vrouwen en kinderen, de mannen gingen naar aparte kampen. In de klaslokalen werden overal bedjes gebouwd, in lagen boven elkaar. Mijn moeder zat met vijf, zes andere vrouwen in de kleedkamer naast de gymzaal.’

Ariette: ‘Ja, het werd steeds krapper. Maar ik vond het een heerlijke tijd! Niemand die op je lette, niemand die zich met je bemoeide. De strenge directrice, mevrouw Marsman, die had ineens niks meer te vertellen. Eerst was er nog school, taal en rekenen, geen aardrijkskunde en geschiedenis, dat mocht niet. Na een paar maanden mocht er helemaal geen les meer gegeven worden.’

‘Nou ja,’ fronst Sima, ‘een heerlijke tijd? We waren verlost van de strenge discipline van de school en we hadden onze moeder in de buurt, die we daarvoor alleen in de vakanties zagen. Maar we werden wel onderdrukt door de Japanners. Misschien dat wij kinderen daar minder van merkten, maar de vrouwen waren wel degelijk bang. En onzeker over het lot van hun echtgenoten.’
Vellah: ‘Ja, in dat opzicht hadden wij een voordeel. Wij wisten waar we aan toe waren.’

Kinderen vanaf elf jaar moesten werken. Vellah had een baantje bij de houthakdienst. Een prima baantje, vond zij, en je had ook nog kans iets extra’s te eten te krijgen. Sima herinnert zich dat zij met kleutertjes moest wandelen, maar de anderen zeggen dat hun oudste zuster eens in de maand, als er een os werd geslacht, met haar blote arm in het bloed moest roeren, zodat het niet zou klonteren. Daar herinnert Sima zich niets meer van.
Er waren wel strafmaatregelen, daar hoorden ze over. ‘Maar zelf hebben we daar niets van meegemaakt,’ zegt Ariette. ‘Toch wel,’ volgens Sima. ‘Bij de ingang werd een houten hok gebouwd om vrouwen in op te sluiten die de euvele moed hadden gehad om in de nabijgelegen kampong voedsel te gaan kopen.’
Er was niet genoeg te eten, maar als dat voor iedereen geldt wen je daar ook aan. Ze vonden het spannend om door het kamp te sluipen op zoek naar een vergeten stuk groente of een eetbaar plantje. En ze wisten natuurlijk hoe ze zich tegenover de Japanners moesten gedragen: stokstijf stilstaan, glimlachen, buigen. Dan kreeg je soms zelfs een aai over je bol.

Ariette: ‘De Indonesische toezichthouders waren eigenlijk erger. Daar moest je voor oppassen. Ze waren uit de dorpen geronseld en dat reageerden ze op ons af.’

Sima: ‘Je moest gewoon zorgen dat je bij ze uit de buurt bleef.’

 

Vrij

De laatste drie maanden van de oorlog was het heel anders. Toen werden ze overgebracht van Brastagi, met een relatief koel bergklimaat, naar kamp Aik Pamienke, waar het tropisch heet was. Ariette: ‘Toen we daar aankwamen zagen we mensen die nog veel magerder en bleker waren dan wij. Daar voelden we ons echt in een kamp opgesloten.’
Maar op een dag in augustus 1945 werden ze met z’n allen bij elkaar geroepen. Een Nederlandse leidster klom op een verhoging en zei: ‘De dag waar we allemaal zo naar hebben uitgekeken is aangebroken, wij zijn vrij!’ Ze werden daadwerkelijk bevrijd door Gurkha’s en Sikhs, Aziatische militairen in het Engelse leger. Ze woonden nog een aantal maanden in Medan en zijn in maart 1946 naar Nederland overgebracht, een land dat ze helemaal niet kenden en waar ze ook geen familie hadden.

 

Roven en plunderen

Het was kort na de bevrijding toen Vellah en Ariette ’s nachts wakker werden; hun moeder had besloten haar oudste dochter Sima eindelijk te vertellen wat er meer dan drie jaar eerder eigenlijk was gebeurd. De jongste meisjes hielden zich doodstil en luisterden mee.

Sima: ‘Het moet in maart 1942 een vreemde situatie zijn geweest op Sumatra. De Nederlanders hadden gecapituleerd, de Japanners hadden gewonnen, maar ze hadden hun gezag nog niet op Sumatra gevestigd, ze waren begonnen met Java. Sommige groepen inlanders zagen de Japanners als bevrijders, dat is ze later wel tegengevallen. Ze gingen roven en plunderen, ook bij ons in de buurt. Misschien waren het bendes uit Rantau Prapat, dat is ons later verteld.
Op een dag kwam de boy helemaal overstuur bij onze vader en moeder: ze hadden de Chinese winkels geplunderd. Mijn vader ging met hem mee. Hij moest misschien zijn gezag laten gelden, maar het deed onze ouders ook allebei denken aan wat zij vroeger, in Bessarabië en Warschau, zelf hadden meegemaakt. Hoe er pogroms op de joden hadden plaatsgevonden en joodse winkels werden geplunderd. Werden de Chinezen niet de joden van het Oosten genoemd? Ze werkten hard, handelden, verdienden geld...’

Vellah: ‘Mijn vader heeft toen eerst de politie gebeld, maar die hadden hun handen al vol. Dus hij nam wat hij als zijn verantwoordelijkheid zag en ging met de boy mee naar de kampong. De boy wees hem het huisje aan waar de overvallers zaten. Mijn vader is naar binnen gegaan en hij is er wel levend uitgekomen, maar hij was zwaar, zwaar gewond. De boy heeft geholpen hem naar het ziekenhuis te brengen en is toen mijn moeder gaan waarschuwen. Maar na een paar dagen is mijn vader toch overleden, hij was verschrikkelijk toegetakeld.’

Ariette: ‘Drie dagen heeft het nog geduurd. Hij had een klewang, zo’n groot kapmes, op zijn hoofd gekregen. Ik heb dat later gehoord, toen ik in 1990 met mijn man Nico een reis naar Indonesië heb gemaakt. We hebben onze boy toen ontmoet. Hij was heel oud geworden, en blind. Het was net of hij op ons had gewacht. Hij vroeg naar mijn moeder. Die leefde toen al niet meer, maar ik zei dat zij het niet aankon en dat ik in haar plaats was gekomen. Nadat mijn vader is overleden, hebben ze hem daar begraven. De Chinezen hebben een grafmonument voor hem opgericht, we zijn het gaan bekijken, het staat er nog steeds. Dat deden ze uit dankbaarheid, omdat hij voor ze is opgekomen toen ze belaagd werden.’

 

Amsterdam

Na de bevrijding hebben ze met hun moeder vanuit kamp Aik Pamienke het graf van hun vader één keer bezocht, daarna is er in het gezin nooit meer over hem en zijn dood gepraat. Ze kwamen na een lange bootreis in mei 1946 in ‘koud en nat’ Amsterdam terecht, waar ze zich toch steeds meer thuis gingen voelen. Het plan was dat ze door zouden reizen naar familie in Amerika. Sima ging vooruit en woonde een jaar bij een oom en tante van vaderskant in New York, maar kwam terug met verhalen waardoor hun moeder liever in Nederland bleef. Van definitieve vestiging in Israël was geen sprake meer, al hebben Ariette en haar man er voor een wat langere periode gewoond toen ze net getrouwd waren. Hun oudste zoon werd er geboren.
Omstreeks 1990 ging Ariette op aandrang van haar man naar Sumatra en vond daar de stokoude boy en zijn vrouw, haar ‘baboetje’. Ook het graf van haar vader en resten van het grote huis op Senna Estate. Twee jaar later ging ook Sima erheen, Vellah nog weer twee jaar later. Toen was de boy net gestorven. Van hem en zijn familie hoorden ze details over de moord op hun vader, die ze nu pas met elkaar delen.

Veel vragen blijven. Was hun moeder boos op haar man om het risico dat hij nam? Was zij in stilte toch trots op hem? Was zij boos op de boy, die hem had meegenomen naar het gevaar? Daar heeft zij het nooit over gehad.

Sima: ‘Zij was eerder verdrietig. Misschien was zij daarom zo stil. We durfden niet verder te vragen. Ik denk dat hij daar naar binnen is gegaan, er zat zo’n stel ploppers bij elkaar en...’

Ariette laat haar fantasie de vrije loop: ‘Die jongelui waren natuurlijk trots op wat ze hadden gedaan. Die dachten meteen: jij komt ons toch niet vertellen wat we wel en niet mogen doen... Dus de eerste de beste heeft hem een klap verkocht en hij kon niets meer.’

Vellah: ‘Mijn vader was gewoon een heel temperamentvolle man. Hij eiste dat ze uit zouden leggen waarom ze zich zo hadden misdragen. Maar hij kon natuurlijk ook niet weten wat de gevolgen zouden zijn.’

 

Dit interview verscheen eerder in het Auschwitz Bulletin van september 2015

Over de auteurs: Ariëla Legman is de dochter van Sima Colcher; Max Arian is een oude vriend van de familie.

Plaats een reactie