Margrit Rethy en Alice Pohl

Beste heer van Mourik,

Via het Joods Historisch Museum zend ik u onderstaande gegevens, n.a.v. uw bovengenoemde oproep.

Eerder reageerde ik op een artikel in de NRC over joden in voormalig Nederlands-Indië. In onderstaande link die de heer Woudstra mij toezond, kunt u deze reactie vinden.

http://www.jodeninnederlandsindie.nl/nl/page/1572/herinnering-van-mevrouw-thea-h--buys--geboren-27-juli-1930 

Dat verhaal vormt tevens de inleiding van wat ik u over uw grootmoeder kan vertellen.

Een kleine toegift is de vriendschap tussen Simon Goldberg en mijn vader.

In gedachten ga ik terug naar de ochtend die volgde op de nacht van de razzia op 31 augustus 1943, in Bandoeng.

Uw moeder en de mijne, mijn oudere zuster Ineke en ikzelf, moeten die ochtend samen met de andere opgepakte vrouwen en kinderen in de gymnastiekzaal van de voormalige Mulo-school, het kantoor van de Kempeitai hebben doorgebracht. Verscheidenen waren nog in hun nachtgoed en wij kenden elkaar toen nog niet.

Geen eten of drinken, niet praten. Van toiletbezoek herinner ik me niets.

De groep druppelde met verschillende open vrachtauto’s binnen in het vrouwenkamp Tjihapit. Daar waren in de Heemskerkstraat (huidige naam Jalan Jamuju; begint bij Houtmanplein, nu Lapang Supratman) een aantal huizen voor ons ontruimd. Nummer 16 zou onderdak geven aan 18 mensen.

Het huis bestond uit een voor- en achterkamer, rechts een kleine zijkamer met daarachter de grotere ouderslaapkamer (tezamen het ‘hoofdgebouw’); dit alles beëindigd door een overdekt achterterras met een halfhoog muurtje. Links tegen het huis aangebouwd was een klein gastverblijf met eigen ingang aan de voor- en de achterkant, het ‘paviljoen’.

Haaks op het hoofdgebouw en aansluitend aan het paviljoen, bevond zich een lange overdekte galerij (de ‘bijgebouwen’/blakang) aan de ene kant van de achtertuin en daar tegenover de garage. Het achterterras en de bijgebouwen hadden een afstap van één of 2 treden naar de tuin. Achter de garage was de waterput omgeven door een muur. Dit was de wasplaats met daarbij ook een hurk-WC voor de bedienden. De achtertuin werd afgesloten door een 2 meter hoge muur met glasscherven bovenop.

Alle families vonden een plek in de kamers in hoofdgebouw, paviljoen en garage. De familie Buys kwam samen met een tijdelijk bij ons inwonende ‘tante’ in de kleine zijkamer. Tegen de deur naar de voorkamer moest één van de 4 bedden geplaatst worden, dus gingen we door het raam naar buiten. Een gemetselde bloembak als afstapje kwam goed van pas, binnen gebruikten we een pakkist als opstapje.

Voor de 3 dames-alleen was ruimte in de bijgebouwen; de badkamer en wc openden de rij. Daarachter de keuken en 2 kleine vertrekjes. Op het eind was een half overdekte wasplaats met een kraan aangesloten op de waterleiding. Gekookt werd op het halfhoge muurtje van de achtergalerij.

Mevrouw Pohl kreeg de het eerste kleine vertrekje. In de lengte stond tegenover het bed haar minipiano; tegen de achtermuur was juist plaats voor een klein kastje. Ik herinner me niet meer of er een raam in de kamer was; de deur ging dacht ik naar binnen open. Schuin over de achtertuin was ‘uitzicht’ op een paar kwijnende pisangbomen.

 Toen we begin september in het Tjihapit kamp aankwamen, deelden de gaarkeukens nog ontbijt en ‘s-middags een warme maaltijd uit. Het kamp en dus ook de ‘poort’ naar ‘buiten’ was overdag open en waar ‘binnen’ en ‘buiten’ elkaar ontmoetten was een uitgebreide markt (pasar) ontstaan. Regelmatig was ik daar zelf op de fiets heengetrokken toen we nog ‘buiten’ woonden; ik ging op bezoek bij vriendjes en vriendinnetjes die al eerder naar deze ‘beschermde wijk’ waren verhuisd. Bij de poort ontmoetten bekenden elkaar, soms kocht je schaafijs op een stokje voor één cent als je die had, tenminste!

Niet lang nadat wij op die bewuste dag in het kamp waren beland, ging de poort dicht, werd het regime strenger en het eten minder. Ook moesten de huisdieren, overwegend honden het kamp uit, later fietsen en ten slotte gingen jongens vanaf 11 jaar naar een apart kamp. In ons volgende kamp werd die leeftijd verlaagd tot 10 jaar.

 Veel kampbewoners vanaf 10 (?) jaar hadden corvee en daarnaast probeerde menigeen wat te verdienen door (corvee)werkjes voor anderen te doen. Mijn moeder was onderwijzeres en had clandestien leerlingen. Wat ze daarmee verdiende gaf ze aan een vriendin met 4 kleine kinderen. Zij was weliswaar vrijgesteld van corvee, maar had met haar kroost de handen vol en geen tijd om zelf wat te verdienen. In Tjihapit had geld namelijk nog waarde. In de kampwinkel kwam met onregelmatige tussenpozen etenswaar, zeep, houtskool ofzo binnen, die je bij toerbeurt kon kopen.

Haar gezin was in maart 1942, vlak voor de capitulatie gevlucht voor de Japanse stoottroepen van Lembang naar Bandoeng en ze was daarbij alles kwijtgeraakt. Dit lot trof vele gezinnen die op cultuurondernemingen buiten de grote stad woonden. Banktegoeden werden direct bevroren en ook pensioenen niet meer uitbetaald. Zo kon mijn moeder haar vriendin een beetje helpen.

 Mijn zuster Ineke (1926) was dankzij mevrouw Pohl verzekerd van regelmatige inkomsten. Zij maakte haar kamer schoon, deed de was en nam het corvee over dat de bewoners van nummer 16 bij toerbeurt hadden om badkamer, wc, achterterras en –galerij dagelijks schoon te maken. Hierdoor kon uw grootmoeder haar handen sparen en blijven piano spelen.

Het is nu meer dan 20 jaar geleden dat ik een melodie hoorde van een cd die mijn partner draaide en die ik meteen herkende. ‘Dat stuk speelde mevrouw Pohl vaak in het kamp’, zei ik meteen. Het ging om het Allegretto van de Sonata no.17 in D Minor, Opus 31, no. 2 ‘Tempest’ van Beethoven. Gisteravond beluisterden we samen de hele sonate nog eens. En het Allegretto sprong er voor mij weer uit. Ik vind het heel bijzonder, dat de schoonheid van deze melodie, vertolkt door uw grootmoeder, al die jaren (ik was toen 13) in me bewaard bleef en dat ik deze ervaring nu met u kan delen. Ook ben ik reuze blij dat dankzij de foto’s bij uw oproep, het beeld van mijn herinnering aan mevrouw Pohl - zoals ze achter de piano zit – weer helemaal geactualiseerd is. Ook al is zij niet meer onder ons op deze wereld, net zo min als mijn moeder en Ineke, ik ga het ze in gedachten allemaal vertellen.

Mevrouw Pohl moest eerder dan wij op transport en op een dag riep ze me bij zich toen ze met haar postzegelverzameling bezig was. Aan de hand van een catalogus pikte ze er met een speciale pincet de meest waardevolle exemplaren uit en legde die apart. Zo’n verzameling had ik nog nóóit gezien, alhoewel Ineke ook postzegels spaarde; ik was diep onder de indruk! En ik was overgelukkig dat ik de boeken die ze niet mee kon nemen, van haar hebben mocht. De geselecteerde zegels borg ze volgens Ineke in haar korset veilig weg.

Toen mijn koffertje door de Japanners in ons nieuwe kamp Lampersari in Semarang werd geïnspecteerd, werd het album dat ik het mooiste vond en had meegenomen, samen met een blokfluit die ik ook gekregen had, er direct door de Jap uitgepikt.

Nu maak ik een hele sprong naar de repatriëring van onze familie in mei 1946. We werden door een broer van mijn vader in Rotterdam opgevangen en konden daar blijven wonen tot we zelf een eigen flat kregen.

Mijn vader had in het burgerinterneringskamp Baros gezeten en raakte daar bevriend met de violist Simon Goldberg.

Bij de eerste keer dat hij in Rotterdam optrad zaten mijn ouders in de zaal en bij de ontmoeting na afloop hebben de oud-kampvrienden elkaar hartelijk omhelsd. Aan ons deed hij hierover opgetogen verslag! Bij deze ontmoeting is het gebleven denk ik, maar het gebeuren bleef waardevol.

In het nieuwe Indonesië hervatte de ‘Kunstkring’ haar taak om musici en andere kunstenaars uit te nodigen in de grote steden op Java en Sumatra op te treden. Ik was in september 1952 als ‘handschoentje’ in Semarang aangekomen, waar mijn toenmalige echtgenoot Henk Haanraadts bij de Stanvac werkte, een Amerikaanse oliemaatschappij. Ter gelegenheid van het optreden van Walter Gieseking (volgens Google een begaafd pianist, maar in WO II niet geheel onomstreden) heb ik toen plaatsbewijzen verkocht in een zijkamertje van een of ander handelshuis in de benedenstad. Een pijnlijk voorval hoorde ik achteraf via de mensen bij wie Gieseking met vrouw en dochter gastvrijheid hadden genoten. Toen hij de vleugel inspecteerde die voor zijn optreden bestemd was, had hij vertwijfeld (ongeveer) uitgeroepen …don’t expect me to perform on thát soapbox! Gelukkig hebben de hem begeleidende dames met succes op hem ingepraat en ik weet zeker dat de concertgangers van zijn optreden hebben genoten, mijzelf incluis. Of Cor de Groot enige maanden later hetzelfde instrument bespeelde , weet ik niet.

Overigens moeten uw ouders en wij tegelijkertijd in Semarang hebben gewoond. Ik wist dat uw vader als leraar (Nederlands?) verbonden was aan de middelbare school, maar hoe ik aan die informatie kwam ben ik absoluut kwijt.

Wellicht kwam het ter sprake bij Lien en Dick Oosterveld, die naar de Julianalaan 109 in Overveen verhuisden, vanuit de Eksterlaan in Haarlem Noord (omstreeks 1960?) Daar deelden zij in een rij portiekwoningen, een portiek met driehuisnummers. Op de begane grond op no. 145 woonden mijn ouders, links erboven de familie Oosterveld met hun 3 jongens, en rechts de zuster van mijn moeder die weduwe was, mevrouw Buddingh’ met dochter Cobi.

Lien noemde eens de naam van uw moeder Lies van Mourik met wie ze bevriend was en we legden toen al het verband met uw grootmoeder, waarmee we samen in Tjihapit woonden. Een ontmoeting werd wel gepland, maar wij woonden na aankomst in mei 1958 vanuit Djakarta, in Nederland in Geervliet op de Zuid-Hollandse eilanden, niet bepaald in de buurt. Helaas is het niet tot een kennismaking gekomen. En Lien overleed in juli 2013, maar dat is u misschien bekend.

 Voor nu een hartelijke groet van Thea Buys

Plaats een reactie