Herinnering Thea H. Buys

"……Antisemitisme speelde geen rol in de Japanse cultuur,  maar onder druk van Duitse diplomaten begon in april 1943 een anti-joodse campagne in Indië."

Die diplomaten brachten een bezoek aan Tokio; dit onderwerp staat beschreven in de dissertatie (1963)van Dora van Velden 'De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog’.

Reeds vóór het begin van WO II in Europa, kwamen joden (met hun gezin) naar Indië in de hoop er een vrijplaats te vinden.

De eersten die ik me herinner, waren Hongaarse joden, die samen de ‘Pickler-band’ vormden en die speelde in ‘Sociëteit Concordia’, de soos. Tijdens hun studententijd hadden zij een bandje gehad en nu vatten zij deze hobby weer op om in hun eerste levensonderhoud te voorzien.

En bij ons op school kwamen de kinderen van twee diamantairs, de broers Kinsbergen uit België en Amsterdam; de oudste meisjes Grietje en Eva bij mij in de vierde klas (cursus 1939/1940); de anderen in lagere klassen. Zij lieten naast elkaar twee grote huizen met een verdieping bouwen, in een luxueuze buitenwijk van Bandoeng-Noord.

Bij het uitbreken van de oorlog met Japan woonde onze familie al enige jaren in Bandoeng. Mijn vader Theo H. Buys (Voorburg, 1898) werd opgeroepen en als landstormsoldaat geplaatst bij de Luchtbeschermingsdienst. Bij de capitulatie op 8 maart 1942 trok hij zijn uniform uit, gooide zijn dienstpistool in de waterput bij de wasplaats op het achtererf en voelde zich burger. Landstormsoldaten en beroepsmilitairen werden krijgsgevangen gemaakt.

Na enige tijd moesten alle Nederlandse onderdanen zich tegen betaling laten registreren (pendaftaran = registratiebewijs); mannen betaalden meer dan vrouwen (en kinderen?). Daarbij moest worden opgegeven: naam, geboortedatum, –plaats en –land en die van beide ouders. Op grond hiervan werd vastgesteld in welke ‘groep’ je werd ingedeeld. Mijn vader beschikte over informatie dat de groepen 1 en 2 met onvermengd Nederlands (Europees) bloed, geïnterneerd zouden worden, zowel mannen,  vrouwen en kinderen. Mensen met gemengd (Indisch- of Chinees) bloed kregen groep 3 Belanda-Indo toegewezen. De gezinnen van groep 3 zouden niet geïnterneerd worden, maar de mannen wél. Onze familie zorgde er dus voor in deze groep 3 terecht te komen.

Als mijn vader een oproep voor het mannenkamp kreeg, ging mijn moeder in zijn plaats. Zij beweerde dan dat haar man te ziek was om te komen. Samen stond ze met vrouwen die hetzelfde smoesje verkochten, uren in de zon, soms kreeg ze klappen.

Mijn vader lag op zo’n dag in bed onder een dikke deken, zag rood zgn. van de hoge koorts; op het nachtkastje stonden flesjes en het rook er sterk naar medicijnen. Japanners waren/zijn erg bang voor besmettelijke ziektes en ze hadden altijd een monddoekje – in die tijd een heel onbekend attribuut- voor. De patiënt hoestte en rochelde intussen dat het een aard had en de controle duurde hierdoor  maar héél kort.

Aan het eind van de dag kwam mijn moeder gelukkig telkens weer thuis en zo bleef mijn vader lange tijd buiten het burgermannenkamp.

Razzia

Tot we in de nacht van 31 augustus 1943 uit bed werden getrommeld door een Japanner met bajonet op het geweer en twee Indonesische politieagenten. Ze schreeuwden dat we direct moesten opstaan en meekomen. Wij konden ons eerst nog aankleden, omdat mijn vader dat eiste en klommen toen in de open vrachtauto, die doorreed naar het huis van meneer Hegi. Deze oudere heer en joodse vriend van mijn vader was onlangs verhuisd, maar had dit niet bij de Gemeente gemeld.

De razzia gold joden en Vrijmetselaars (waartoe mijn vader behoorde) en op het bureau van de Kempeitai (de Japanse militaire politie) kwamen alle opgepakte mensen samen. Daar moesten de mannen naar rechts, vrouwen en kinderen linksaf naar de gymzaal van de voormalige Mulo-school. We zagen er verschillende bekenden. Aan het eind van de ochtend kregen we een (half uur?) tijd om thuis onze spulletjes te pakken voor het interneringskamp. Intussen was er met de mannen huiszoeking gedaan; de Japanners hadden begrepen dat we erg gevaarlijke mensen waren….en de boel lag nogal overhoop.

In het Tjihapitkamp waren een paar huizen in een straat ontruimd; mijn moeder, zuster en ik werden met een aantal joodse vrouwen van de Pickler-band ingedeeld. Namen die ik me nog herinner zijn: mw. Szanto, Kraus, Benedect. Figdor en Pohl waren ook joodse huisgenoten. Sommigen ontmoetten we na de oorlog opnieuw in Nederland.

Op enig moment kreeg de Nederlandse kampleiding van Tjihapit de opdracht van de Japanners om een lijst op te stellen van de Joodse kampbewoners. Hun werd toen gezegd, dat zij niet over die gegevens beschikten en daarmee werd genoegen genomen.

Herinnering Thea H. Buys, geboren 27 juli 1930

 

Reacties

  • maurice van mourik

    Geplaatst in .

    Geachte Mevr. Buys,

    Van Lo Woudstra kreeg ik het bericht, dat u nog mijn grootouders , de familie Pohl herinnert, wellicht ook van hun dochter en mijn moeder, Alice Pohl.

    Ik ben erg benieuwd naar Uw reactie en kunt mij eventueel bellen, tel. 023-5242016 of mailen, e-mail mp.vmourik@hccnet.nl.

    In afwachting van Uw spoedige reactie,

    met vriendelijke groeten,
    Maurice van Mourik

Plaats een reactie