Family Teitler and Silberbusch

Kort Overzicht van het Indisch Wedervaren van de Families Teitler en Silberbusch

Door G. Teitler

Itzig Teitler en Fanny Silberbusch met hun zonen. V.l.n.r.: Chaim (Carl), Fred, Herrmann en Max. Soerabaja, ca. 1924
Op de Bar Mitswa foto: nr. 27 Ignaz (Itzig) Teitler, nr. 34 Fanny Teitler - Silberbusch, nr. 57 Fred Teitler, nr. 60 Herrmann Teitler

 

Inleiding

Volgens een veel gehoorde opvatting telde Nederlands-Indie drie groepen Joden. Ten eerste de uit Nederland afkomstigen. Ten tweede de uit het Midden-Oosten stammende zogenoemde Irak-(of Bagdad-)Joden. Ten derde degenen die na 1933 voor de Nazis Duitsland (en later Oostenrijk en andere Midden-Europese landen) ontvluchtten. De Teitlers en Silberbuschen behoren tot geen van deze categorieën. Zij vormen tezamen een kleine, maar afzonderlijke, vierde groep.

 

Achtergrond

Beide families waren afkomstig uit de tot het Habsburgse Rijk behorende Bukowina, met als hoofdstad Cernowitz. In dit gebied was een omvangrijke Joodse gemeenschap woonachtig, met het Jiddisch als omgangstaal. De Teitlers woonden in het dorp Zastawna, met een overwegend Duits en Roemeens sprekende bevolking, de Silberbuschen in Kadubeshti, waar de meerderheid Pools-en Roetheens-talig was.

 

Uitgezonden naar Nederlands-Indie

Mijn grootvader, Itzig (zich later Ignaz noemend) Teitler – geboren in 1884 – vertrok als zeventien-jarige knaap naar Wenen, om daar in dienst te treden van een Joodse groothandels firma. Enkele jaren later zond de leiding van dit kennelijk ondernemend bedrijf Itzig uit naar Nederlands-Indie. Mijn grootvader koos Soerabaja als standplaats en ontplooide daar de hem opgedragen handelsactiviteiten. De zaken verliepen naar wens en in 1912 bezocht Itzig Wenen om aan het hoofdkantoor van de firma zakelijk verslag uit te brengen. Vervolgens reisde hij door naar de Bukowina om in het huwelijk te treden met Fanny Silberbusch. Direct hierna reisde het tweetal af naar Soerabaja, waar mijn vader Chaim (Carl) Teitler in 1913 ter wereld kwam. Er zouden nog drie zonen volgen – Herrmann, Max en Fred.

 

 

 

Zelfstandig

Mijn grootvader had inmiddels zijn band met de Weense firma verbroken. Hij schatte de economische mogelijkheden in Indie (en zijn eigen handelstalent) dermate gunstig in dat hij op eigen benen meende te kunnen staan. Deze inschattingen bleken te kloppen. De zaken liepen voorspoedig en het gezin kon in redelijke welstand leven. Hij voelde zelfs voor familieversterking en nodigde in september 1913 zijn vier jaar oudere broer Salo uit zich ook in Indie te vestigen. Na rijp beraad sloeg deze het voorstel echter af. Salo was zeker bereid Zastawna te verlaten, maar verkoos uiteindelijk New York boven Soerabaja.

De Vrede van Versailles had na vier jaar oorlog de politieke kaart van Europa ingrijpend veranderd. Zo was onder meer de Bukowina aan Roemenie toegewezen. Om ter plekke poolshoogte te nemen toog het gezin van Itzig en Fanny Teitler naar deze streek, ditmaal reizend over Rotterdam. Een kindermeisje, 'zeebaboe' genoemd vergezelde het groepje. Itzig en Fanny bleken niet onder de indruk van de mogelijkheden van een bestaan onder Roemeens bestuur en vertrokken, in het bezit (dat wel) van een Roemeens paspoort, uitgegeven 3 augustus 1920 te Cernauti (de nieuwe naam voor Cernowitz), weer naar Indie. Dat paspoort lieten zij na verloop van tijd overigens verlopen. Het beviel de Teitlers uitstekend in Soerabaja, zij waren niet van zins ooit nog de Bukowina te bezoeken (hun ouders waren inmiddels overleden) en stelden zich tevreden met de status van ‘Nederlands onderdaan, niet-Nederlander’.

 

Uitbreiding

Broer Salo was inmiddels naar de Nieuwe Wereld verhuisd. Toch zouden mijn grootouders op korte termijn versterking ontvangen, zowel van Teitler- als van Silberbusch-zijde. Het betrof een drietal heren, die de oorlog deels in Italiaanse en Russische krijgsgevangenschap hadden doorgebracht. Als eerste kwam Isiu Teitler in Nederlands-Indie aan, een zoon van Itzigs oudste broer Carl. Isiu trad bij de goed lopende handelszaak van mijn grootvader in dienst. Vervolgens arriveerden Munju en Kuby (Jakub) Silberbusch (broers van Fanny) in Soerabaja, en Hanja (zuster van mijn grootmoeder) met haar echtgenoot Osias Lilian.

Laatst genoemde was opticien en trad in Soerabaja in dienst bij de firma Goldberg, die naast brillen vooral grammofoonplaten verkocht. Munju en Kuby volgden de voetsporen van hun zwager Itzig, handelden in van alles en nog wat, maar specialiseerden zich juwelen en goud. Er togen intussen nog meer familieleden naar Nederlands-Indie, allen overigens afkomstig van de Silberbusch-, niet van de Teitler-kant. De eerste was een verre neef van mijn oma, ene Julius Koppelmann uit Danzig. Deze bleek evenwel in Indie niet te kunnen aarden en keerde na verloop van tijd naar Danzig terug. Mijn grootouders betaalden zijn thuisreis en toen zij, ruim twintig jaar later, berooid in Amsterdam aankwamen, betaalde Julius – na 1933 naar Argentinie geemigreerd – hun dat geld keurig terug. Ook Fanny’s zuster Peppi, getrouwd met tandtechnicus Poldi Stein uit Cernowitz, bleek in Indie zó zeer onder heimwee te lijden, dat zij, met haar echtgenoot, weer spoedig scheep ging naar Europa.

 

Joods Leven

Gedurende de jaren twintig bloeide de handel en ging het de Teitlers en Silberbuschen financieel voor de wind. Dit veranderde drastisch na de beurskrach van Wall Street van 1929. Het leven van mijn familie versoberde en mijn grootvader ontkwam er niet aan Isiu te ontslaan (die in Batavia werk vond bij de firma Hoppenstedt). Mijn vader Carl had intussen Bar Mitswa gedaan. In zijn herinnering kende Soerabaja geen volwaardige synagoge, maar deed een bescheiden gebouw, niet ver van de Niasstraat, waar de Teitlers toen woonden, als zodanig dienst. Hoe dit ook zij, Carl bereidde zich op zijn Bar Mitswa voor bij een kennis van Itzig en Fanny, ene mijnheer Albért.

Mijn grootouders (duidelijk herkenbaar op de tentoonstellingsfoto met het onderschrift ‘Bar mitswa in Soerabaja, ca. 1930’) telden onder hun Joodse kennissen onder meer de families Davidson, Mantel en Polak. Daarbuiten verkeerde mijn grootvader vooral in kringen van de georganiseerde sport. Zo was hij – hoewel zelf niet actief als voetballer – betrokken bij de oprichting van de Nederlandsch-Indische Voetbalbond. Voorts had hij, naast anderen, de hand in de organisatie van de vierstedenwedstrijd, elk jaar begin juni gespeeld tussen elftallen uit Batavia, Bandoeng, Semarang en Soerabaja. Verder was Itzig actief betrokken bij het bestuur van de Soerabajaanse voetbalclub Excelsior. Toen hij tegen het einde van de jaren dertig als ‘public relation’ man in dienst trad bij de tabaksfabrikant ‘Faroka’, zorgde hij er bovendien voor dat dit bedrijf voetbalevenementen financieel steunde.

In het eerste elftal van Excelsior wist zijn zoon Carl al spoedig de aandacht op zich te vestigen. Een nummer van het Soerabaiasch Handelsblad, ergens in 1936 (de precieze datum is mij helaas niet bekend), berichtte omtrent een wedstrijd tussen een bondsselectie, waarin Carl uitkwam, en een elftal van het Ambonese Mena Moeria. Een citaat uit dit verslag luidt: “Karel Teitler als centervoor trekt meer en meer de aandacht. Hij is een speler-met-hersens, niet egoistisch en tevens een doorzetter. Hij zorgde Zondag voor twee keurige doelpunten en bewerkstelligde bijna den hattrick”. Dit wapenfeit verhinderde Mena Moeria intussen niet de wedstrijd met 4 tegen 3 te winnen. Hetzelfde nummer van genoemd Handelsblad maakte trouwens melding van de verrichtingen van een andere sportieve Teitler, Carls broer Herrmann. In de jaarlijkse Brantas-regatta wist Herrmann twee tweede prijzen bij elkaar te roeien: in het nummer “heeren jonge twee” (met stuurman) en bij de “oude vier heeren”. Van de broers Max en Fred zijn geen sportieve prestaties bekend.

 

Naar het Einde

De Teitlers waren, evenals de Silberbuschen, volstrekt geassimileerd. Van de Joodse gebruiken hielden zij alleen de besnijdenis, Bar Mitswa en Grote Verzoendag in ere. In sociaal opzicht was hun kennissenkring dan ook ruim en bepaald niet tot de kleine Joodse gemeenschap beperkt. Mijn vader bekwaamde zich na de H.B.S. aan de kweekschool te Bandoeng tot onderwijzer en vond na zijn afstuderen werk bij de (particuliere) Soerabaiasche Schoolvereeniging, met veel leerlingen uit marinekring. Hij was trouwens van kinds af aan strikt Nederlandstalig opgevoed. Mijn grootouders spraken met elkaar nog wel Duits en – als het gespreksonderwerp niet voor kinderoren bestemd was – Roetheens, maar na 1933 sprak in huize-Teitler niemand meer Duits.

Met de toename van de Japanse dreiging kreeg Kuby Silberbusch, die zich al snel na zijn aankomst in Nederlands-Indie had laten naturaliseren, een oproep voor de militaire dienst (de hem nu toegemeten rang was bepaald lager dan die van luitenant, zijn rang in het Oostenrijks-Hongaarse leger ten tijde van de Grote Oorlog). De Teitlers, die zich vergenoegd hadden met de positie van Nederlands onderdaan, stonden buiten deze regeling. Na aanvang van de Japanse bezetting bleven zij, als in feite statenloze burgers, ook wat langer buiten gevangenschap en de interneringskampen. Uiteindelijk echter sloot zich ook om hen het net, en belandden zij in de kampen en daar in de Joden-han. De Teitler- en Silberbusch-vrouwen, met hun meest jonge kinderen, eerst in Tangeran, vervolgens in Adek. Het bestaan was er hard, de gevangenen raakten ondervoed en tegen allerlei ziektes ontbraken medicijnen. In de praktijk was er overigens weinig verschil tussen het leven in de Joden-han en in de rest van de kampen. Zonder uitzondering overleefden alle Teitlers en Silberbuschen, met veel geluk en moeite, de interneringstijd.

Direct levensbedreigend was wel de periode direct na de Japanse nederlaag toen het leven – door de Bersiap - in de kampen veiliger was dan het bestaan erbuiten. Onder omstandigheden die nimmer zijn opgehelderd slaagde mijn grootvader er trouwens al begin 1946 in met zijn gezin op een Engels schip naar Singapore uit te wijken. Vandaar bracht de ‘Nieuw Amsterdam’ hen naar Nederland. In 1956 ontvingen zij hun naturalisatiepapieren. De Silberbuschen waren hen al snel naar Nederland gevolgd. Alleen Kuby bleef, met echtgenote Sophie, nog enige tijd in Indie/Indonesie, hopend op betere tijden. Hun schoolgaande kinderen zonden zij intussen wél naar Nederland. Het gezin van Carl ontfermde zich over dochter Rita, mijn grootouders over hun zoon Bob.

G. Teitler

 

Foto 1 - Itzig Teitler en Fanny Silberbusch met hun zonen. Van links naar rechts: Chaim (Carl), Fred, Herrmann en Max. Soerabaja, omstreeks 1924
Foto 2 - Het eerste huis van Itzig Teitler en Fanny Silberbusch te Soerabaja. De foto is gemaakt op 24 september 1913. Op het rechter pilaartje is het naambordje te zien.
Foto 3 - Chaim (Carl) Teitler en zijn broer Fred, te paard op vakantie in de bergen boven Soerabaja.
Foto 4 - Itzig Teitler met kennissen, de heren Davidson, Polak en Mantel. Rechtsachter Isiu Teitler. Ter gelegenheid waarvan deze foto gemaakt is, is niet bekend.
Foto 5 - Chaim (Carl) Teitler - met hoedje - op een schoolreisje bij de ruime van een Hindoe tempel te Singosari.
Foto 6 - Itzig Teitler als voetbalbestuurder. Naast hem, in het midden, de doelman van de Soerabaja selectie Henny van Alphen, rechts de tenniskampioen van Java (ook als voetballer actief) Leslie Miller. De foto is tegen het einde van de jaren twintig genomen.
Foto 7 - Buitenzorg, 1932. Itzig Teitler, met medewerkers van de tabaksondernemening 'Faroka'. Links houdt iemand een voetbalbeker omhoog.
Foto 8 - Itzig Teitler en Fanny Teitler-Silberbusch.
Foto 9 - Itzig en Fanny Teitler met hun vier zonen. Van links naar rechts: Chaim (Carl), Fred, Max en Herrmann.
Foto 10 - Itzig en Fanny Teitler met hun vier zonen Chaim (Carl), Hermann, Max en Fred bij hun huis te Soerabaja.

 

Comments

  • corrie Groen in 't Woud

    Posted .

    Goeden dag, Ik woonde in de vijftiger jaren in Amsterdam en was toen bevriend met Rita Silberbusch, zij was schoonheidspecialiste(toetenpoets) en ze trouwde in 1961 Met Dan? WATERMAN IN nEW yORK. zE HAD EEN JONGERE BROER Bob. Het gezin Silberbusch woonde toen op het MInervaplein in Amsterdam.Uit pure nieuwsgierigheid naar "vroeger"kwam ik op uw site terecht en nu ben ik erg benieuwd of Rita nog in leven is. Ze was iets jonger dan ik, ik ben nu 84 jaar. Misschien hoor ik iets van u Hartelijke groet Corrie

  • Rob Nic

    Posted .

    Beste Corrie
    Hierbij het overlijdensbericht van haar man Mauritd (Dan) Waterman in 2016

    https://obittree.com/obituary/us/massachusetts/plymouth/bartlett-funeral-home/daniel-waterman/2757708/
    Waarschijnlijk leeft Rita Silberbusch nog in de US

    M.vr.gr.

  • Winny Harris Lugten

    Posted .

    Ik heb een gedicht geschreven/ gemaakt door Carl Teitler. Zijn jullie er mee bekend?
    O, Sweet Memory genaamd.
    O jeugd van felle zon en ijle hoogten
    Van badjirs en van droogten,
    Van blotevoetjes en hansopjes
    Van blonde maar ook donkere kopjes
    Wat ben je vlug voorbij gegaan.
    .......

  • Winny Harris Lugten

    Posted .

    Ik heb een gedicht van Carl Teitler zijn jullie er mee bekend?
    Het heet: O, Sweet Memory

  • Ada Teitler-Terweij

    Posted .

    Beste Corry, Rob en Winny,

    Rita is nog in leven en woont in Boston.
    Het gedicht is bij ons bekend en bevindt zich in het familiearchief.
    Vriendelijke groet, Ada

Leave a comment